Vijf minuten voor vertrek. Al zwaaiend met mijn armen probeer ik mijzelf op te warmen. Mijn benen bibberen, zo hard ze kunnen. Mijn handen tintelen, mijn oren knisperen. Langzaam dwaal ik weg in mijn gedachten. Een duistere waas vol onwetendheid. Zo’n honderd lampjes verlichten het ogenschijnlijk verlaten startterrein. Het had zo’n typische Waalse uitstraling. Koud, grijs en mysterieus. Niet sfeerloos, maar indrukwekkend. Achter de lampen probeer ik gezichten te herkennen, wat slechts bij een enkeling lukt.

Vandaag voelt als een sprong in het diepe. Enerzijds zou het goed af kunnen lopen, maar anderzijds zou ik ook kunnen verdrinken. Verdrinken vanwege het gebrek aan parcourskennis. Vanwege het gebrek aan kennis over de tegenstand. Maar vooral wegens het gebrek aan voorbereiding en daarmee bedoel ik: training.

Leven

Jaren lang deed ik alles voor de fiets. Zou ik alles laten vallen om te kunnen presteren. Jaren lang had ik dromen. Over winnen, meer winnen en nog meer winnen. Over prestigieuze wedstrijden, ontsnappingen in grote koersen. Maar langzaam kwam ik tot het besef dat sommige dingen alleen zijn weggelegd voor de allerbesten. De mensen die meer dan alles voor hun sport doen, die alles links kunnen laten liggen, die leven voor de fiets en fietsen voor hun leven.

Je komt op een punt dat je moet kiezen tussen leven, fietsen, of een klein beetje van beiden. Afgelopen jaar koos ik om een beetje van beiden te gaan doen. Vanaf nu staat fietsen niet meer op nummer één. Qua trainingsuren paste ik mij snel aan dat idee aan. Maar de mentaliteit waarmee ik sport bleef gelijk. Winnen is het doel, podium het gehoopte resultaat en alles daaronder is shit.

Belangeloos

Het zijn de vraagtekens die mij vandaag rust bezorgen. Het zijn een stel Belgische namen waar ik niets van af weet. Een belangeloze tweehonderd kilometer over een onbekend terrein. Zoals altijd verwachtte ik het hoogst haalbare van mijzelf. Maar ik hield er rekening mee dat het resultaat tegen kon gaan vallen.

Het startschot luidt en samen met wat andere idioten duik ik de duisternis in. Nog geen minuut onderweg, de eerste klim duikt al op. De eerste klim begint nog maar net omhoog te lopen, mijn benen knappen nu al uit elkaar. Een paar springveren dartelen omhoog alsof heuvels nooit hebben bestaan. Ik zoek een tempo, rijdt op vermogen de klim op en weet mij in ieder geval nog bij de eerste tien te nestelen. Nipt.

Elke klim had hetzelfde recept. Zes, zeven lichtvoetige renners die omhoog fladderen en ik er, harkend, op mijn eigen tempo achteraan.  Bovenop kon ik op pure power terug keren. Het was niet de vraag of ik dit ging volhouden, maar eerder hoe lang. Op deze manier werd een suicidale missie. Af en toe vraag ik mezelf hardop af of ik niet toevallig bij de halve marathon ben gestart.

Langzaam kan ik de vraagtekens gaan vervangen door uitroeptekens. De concurrentie, die was beresterk. Het parcours, zwaar en piekerig. Mijn eigen benen, dat moesten ik nog even aanzien. Eén ding was zeker, het zou  een lange dag in het zadel gaan worden.

Uit ervaring wist ik dat er een moment moest komen waarop het tempo iets terug geschroefd zou worden. Ik overtuig mijzelf er van dat zo’n moment er aan zat te komen. De kilometers blijven maar tikken. Veertig, éénenveertig, tweeënveertig. Ik krijg het steeds moeilijker om het gat bovenop de klim te dichten.

Maar beetje bij beetje veranderd het parcours van piekerige heuveltjes naar lange lopende kasseiklimmen. Ik merk dat ik met die keien minder moeite heb en kan zelfs nog even de mannen op de pijnbank leggen. Heel even krijg ik er vertrouwen in. Maar wanneer een aantal kilometer later weer hetzelfde steile werk opdoemt knapt uiteindelijk toch het elastiek.

Diesel

Ik ga op zoek naar een tempo dat ik nog zo’n honderdveertig kilometer vol zou kunnen houden. Stiekem hoop ik erop dat er nog een aantal mannen uit de kopgroep stil zouden gaan vallen. Als snel merk ik dat mijn eigen tempo minder energie kost en ik daarmee veel ontspannender in de rondte rijd.

Kort voor het honderd kilometer punt krijg ik een mentaal dipje. We rijden twee grote rondes van honderd kilometer. Ik had er net één gehad en zat al ruim vierenhalf uur op de fiets. Alles wat ik al had gereden zou ik dus nog een keer voorgeschoteld krijgen.

Maar zoals zo vaak verbaas ik mijzelf. De eerste dertig kilometer van de tweede lus lopen zo veel beter dan ze vanochtend deden. Ik had goed gegeten, mijn benen deden zeer – natuurlijk deden ze dat – maar het is dragelijk. Elke kilometer voel ik dat de kracht weer een beetje meer terug komt.

De diesel word warm en de tank zit nog voldoende gevuld. Ik schroef het tempo iets op en werk in een strak tempo de kilometers af. Het is bijna genieten tijdens de laatste honderd kilometer. De temperatuur is inmiddels flink geklommen zodat zelfs de armstukken uit kunnen.

Op vijfentwintig kilometer van de finish kom ik mijn vriendin achterop gereden, die 3 uur later is gestart voor honderd kilometer. Na wat bemoedigende woorden en met de geruststellende gedachte rijd ik de laatste vijfentwintig kilometer richting Waver waar ik uiteindelijk als achtste over de finish rol.

Het is wellicht niet het beoogde resultaat van het podium. Natuurlijk had ik dat graag behaald maar het mooie aan deze sport is dat het eerlijk is. Anderen waren sterker, veel sterker. En dat maakt mij eigenlijk niet zo heel veel uit. Gezien de voorbereiding en het parcours had ik het onderste uit de kan gehaald en daar was ik trots op.

Stiekem vond ik het wel lekker, al die vraagtekens. Geen verwachtingen. Geen doel. Geen niets. Het draaide alleen maar om het finishen, de kilometers maken. Het genieten van het fietsen. Iets wat ik de laatste jaren veel te weinig heb gedaan.

Wouter

©Photo – sportevents.be