Mijn ogen springen open. Buiten hoor ik vogels naar elkaar fluiten. De één nog luider als de ander. Het lijkt wel alsof ze het tegen elkaar opnemen. De tonen springen van hoog naar hoger. Normaal zou ik me nu nog een keer omdraaien rond dit tijdstip, diep onder de dekens duiken. Maar vandaag niet, vandaag stap ik mijn bed uit, met twee goede benen.

Ik had kriebels, overal. Het was een drang naar iets moois, iets waarover ik vannacht gedroomd had. Ik droomde wel vaker, maar niet zoals vannacht. Deze droom was anders, ik had al lang niet meer zo gedroomd. Andere dromen vergat ik vaak, maar deze bleef vers.

Ik ken het goede gevoel. Ik ken de kriebel. Ik weet wat ik er mee moet doen. De kriebel voelt als een soort van energiebron. Een ongelooflijke zin in het leven, zin om te fietsen. Zin om te rijden totdat de zon diep weg zakt in de velden. Dat was wat ik deed. Ik reed tot ik droomde.

Ik kende de droom. Maar het nare van dromen is dat je ooit weet dat je wakker zult worden.

Wouter