Het is een zomeravond, het is even over tienen. Er zijn enkel nog verdwaalde wielrenners te vinden in het verlaten zwembad. Tussen het gekletter van douches hoor ik luidde stemmen. Nog vol adrenaline wordt de koers nabesproken. Het lijkt wel alsof ik hem nog eens her beleef.

Na mezelf te hebben opgefrist praat ik nog wat na met één van die verdwaalde renners. Tijdens de koers zijn we rivalen, maar als we samen in de kleedkamer staan is daar niets van te merken. We praten over de koers, de passie en wat het toch steeds zo mooi maakt.

Als je uren op de fiets zit, eenzaam voor je uit starend, dan heb je veel tijd om na te denken. Je denkt over van alles na, ook over de vraag wat er toch zo leuk aan is. Waarom ik er zo veel voor doe en laat.

Vandaag tuurde de vraag weer door mijn gedachten. Wat vindt ik er ook alweer zo leuk aan? Ik hekel de Ronde van Didam al jaren. Niet vanwege de ambiance of het publiek, dat is geweldig, maar omdat het rondje zo ontzettend lastig is. Een rondje voor de specialisten, de criteriumtijgers.

Een criteriumtijger, zo kon ik hem ook wel noemen. “Zaterdag heb ik ook zo genoten”, begint hij zijn monoloog. “Zelf werd ik 45e, maar ik zag veel bekenden en het was een fantastische koers”. Ik herkende wat hij zei. “Soms geniet ik zelfs maar als er iemand anders wint op een mooie manier dan dat ik zelf win” vervolgde hij zijn gepassioneerde lofzang over de koers.

Hij beantwoordde mijn vraag. Koersen is mooi omdat je bekenden ziet, in en om de koers. Omdat je rivalen in de koers na de koers je kameraden zijn. Het is mooi vanwege de heldendaden, de anekdotes, de verhalen, het publiek.

Hoewel ik nog steeds een hekel aan dat rondje in Didam heb, heb ik toch een ontzettende mooie avond gehad.

Wouter