Hulp uit de hemel

Mijn achterwiel zoekt naar grip in de glibberige bocht. Ik drift wat weg, uit schrik trek ik mijn fiets recht, ik drift nog meer. De stoeprand komt gevaarlijk dichterbij, de mevrouw die onder de paraplu ons toe staat te kijken doet een stapje naar achter. Ik kijk haar recht in de ogen aan, in mijn ogen zal ze angst lezen. Net op tijd vind de band grip op het natte asfalt, ik slaak een diepe zucht van opluchting.

Al maanden geleden zette ik een dikke cirkel om deze zondag. Ik wilde schitteren in de Ronde van Aalten, ik was er verliefd op geworden. Dronken Aaltenaren langs de kant, volle terrassen, een tetterende speaker en liters bier. Het had alles wat een criterium nodig had.

Hoewel het cirkeltje er al maanden stond was mijn voorbereiding verre van ideaal. Een slepende knieblessure hield mij ruim 3 maanden aan de kant. Pas een week voor de Ronde van Aalten reed ik mijn eerste wedstrijden. Hoewel de vorm niet heel slecht bleek hield ik al rekening met een bijrol in Aalten.

De hele week zat ik me al te versmachten op zondag. Ik keek wel 10 keer per dag op buienradar, luisterde elk uur naar het weerbericht van Gerrit Vossers en ververste de weersvoorspelling op mijn telefoon om de 3 minuten. Ja het stond er toch echt, het zou zondag hondenweer worden. Ik genoot er bij voorbaat al van.

Zondag, 17:07
Ik sta op de eerste startrij, mijn hart bonkt in mijn keel. Ouderwetse spanning, zo had ik hem al lang niet meer gevoeld, het voelde wel goed. De straat glimt van de miezerende regen die een kwartier voor de start begon neer te dwarrelen. Ik wist dat het vandaag een andere koers als anders zou worden. Regenkoersen zijn speciaal, daar houdt ik wel van.

Nog 1 minuut voor de start, tenminste dat zeggen ze altijd. Maar die minuut duurt nooit een minuut. Hij is altijd korter, of lijkt het korter door de spanning? Misschien duurt het wel gewoon een minuut. Ik begon te tellen, één, twee, drie, vie…. een bel! Oh shit, rijden. Slechte start, maar niet dramatisch.

Als vijfde draaide ik door de eerste bocht, voor me zag ik twee ploeggenoten. Mark trok direct hard door en Xaf volgde hem gestaag, ik moest aanhaken. Elke bocht was het even aanvoelen hoe hard ik er doorheen kon en durfde. In een flauwe bocht die op volle snelheid werd genomen gleed mijn achterwiel weg over de witte streep, gelukkig wist ik overeind te blijven maar de schrik zat er direct goed in.

Ik zette aan om de aansluiting met de vier renners voor mij niet te verliezen. Mark maakt het gebaar dat er overgenomen moet worden, ik twijfel geen moment en steek direct door naar voren om het tempo de hoogte in te jagen. We hebben direct een klein gaatje. Dit was koersen in de regen, iedereen had het zwaar om de gaatjes dicht te rijden. Halverwege de eerste ronde draaien we met een lichte voorsprong een scherpe rechtse bocht in. Achter me hoor ik wat banden glijden en remmen piepen, het lijkt een val maar ik kan het niet direct zien.

Met zes man zijn we los. Een gat van een meter of 50. Mark trekt nog eens vol door op de klinker klim die door het centrum loopt. Langzaam wordt het gat groter. Bij de eerste passage van de finishlijn hebben we een seconde of 10. Elke ronde groeit het met een seconde. Ik durf niet achterom te kijken.

Ik let er niet op wat er achter me gebeurd, ik kijk alleen voor me uit en fiets zo hard ik kan. Het publiek langs de kanten begint elke ronde harder te juichen. Links, rechts, voor, achter, onder en boven me, overal hoor ik mijn naam door het centrum van Aalten weergalmen. Door de opspattende regen kan ik geen gezichten onderscheiden maar het leek wel alsof heel Aalten mij ineens kende.

De rondes op het rondebord tikten langzaam weg. Éénentwintig, twintig, negentien. Het gat leek geslagen, ik had het gevoel in de juiste kopgroep te rijden. Na weer een beurt op kop zie ik ineens een ander bekend gezicht naast me rijden. Nick was in zijn ééntje naar ons toe gereden. We zaten nu met zijn vieren in een kopgroep van zeven.

Ik durfde voor het eerst achterom te kijken, er was niets. Niets behalve nattigheid en straatvuil. Stiekem wist ik dat het goed zat, maar we moest uitkijken dat er niet nog meer renners uit de achterhoede terug keerde. We bleven vol risico door rijden. Talloze keren wist ik ter nauwer nood aan een glijpartij te ontsnappen, ik had waarschijnlijk een engeltje op mijn schouder.

Het gaatje groeide gestaag naar vijftig seconden. Er stonden nog tien ronden op de teller. Langzaam konden we richting de finale gaan. Ik begon me te bedenken hoe mijn benen voelde, waren ze goed? Ik wist het eigenlijk niet, ik voelde nog vrij weinig. Maar de finale was vandaag niet voor mij weggelegd besloot ik al snel, zevende worden zou al mooi zijn. Elke plek die ik hoger zou eindigen zou mooi mee genomen zijn.

Het rondebord telt nog slechts 6 ronden. Mark rijdt weg met Gerben Mos, Nick reageert. Ik bijt me vast in het wiel van de twee achtervolgers. Ze wenken naar me om over te nemen, maar ik weiger. Xaf kan zich niet bedwingen en springt, mijn medevluchters verroeren zich niet. Ik vraag me af waarom, zitten ze kapot of spelen ze poker? Ik had al genoegen genomen met de zevende plek en blijf dus braaf in het wiel zitten.

In een scherpe bocht naar rechts maakt één van de beide medevluchters een stuurfout. Ik twijfel geen moment en spring uit zijn wiel. De korte klim van de Beeklaan was de perfecte plek om ze van me af te kunnen schudden. Ik gaf alles wat ik nog te geven had, tot mijn eigen verbazing bleek dit best wel veel te zijn. Terwijl ik de flauwe bocht om draai zie ik Mark, Xaf en Nick gebroederlijk achter elkaar rijden, Gerben reed er enkele meters achter. Hij leek gelost, dit gaf me nog wat meer kracht.

Halverwege de Beeklaan passeer ik Gerben, ik kijk hem even in zijn gezicht aan. Hij leek kapotgereden te zijn, ik laat hem achter me en vervolg mijn weg naar mijn drie ploeggenoten. Het publiek werd wild, vier jongens van de Aaltense ploeg op kop in hun eigen ronde. Het was een droomscenario en ik reed er midden in.

Bij het passeren van de finish keek ik nog een keer achterom, ik zag drie gebroken renners. Na een halve ronde achtervolgen wist ik het wiel van mijn ploegmakkers te pakken en vanaf toen wist ik dat we met z’n vieren over de finish zouden komen.

Had ik al verteld hoe wild het publiek werd? Elke ronde leek wel de laatste ronde. Het waren 5 ererondes. Één voor Mark, één voor Xaf, één voor Nick, één voor mij en de laatste ereronde was voor Gijs. Want hoewel we maar met zijn vieren op de foto stonden, in onze gedachten reed Gijs met ons mee. Ik weet niet hoe Gijs het heeft geflikt, maar in de Ronde van Aalten viel alles op zijn plaats. We hadden een beetje hulp uit de hemel.

Wouter